“Het recht op onderwijs van dove en slechthorende leerlingen”

Onze reactie op de verkennende rapportage inclusief de uitgebrachte aanbevelingen van het College voor de Rechten van de Mens

04-10-2022

Inleiding

Met interesse heeft Stichting InfoDeSK (https://www.stichtinginfodesk.nl) kennisgenomen van de rapportage van het College voor de Rechten van de Mens, uitgebracht op 28 september van dit jaar (https://www.mensenrechten.nl/actueel/nieuws/2022/09/28/dove-en-slechthorende-leerlingen-vaak-tussen-wal-en-schip). Stichting InfoDeSK is een stichting van en voor dove en slechthorende leerlingen en hun ouders in -vooral- regulier onderwijs.

Bij deze willen wij graag een constructieve reactie geven op de inhoud van de rapportage vanuit het College. Er zal eerst ingegaan worden op het algemeen beeld wat er geschetst wordt in de verkenning naar knelpunten en oplossingsrichtingen. Daarna zullen wij ingaan op aanbevelingen aan de overheid en eventueel kanttekeningen hierbij benoemen. Hetzelfde zullen wij doen voor de aanbevelingen aan onderwijsinstellingen. Vervolgens zullen wij kort ingaan op de tips voor de leerkrachten. Tenslotte zal de Stichting haar eigen aanbevelingen benoemen.

Het klopt, wat u zegt, dat het VN-verdrag een eigen manier van kijken vereist (blz. 4). Van belang is dat we in die manier van kijken beseffen dat in Nederland een lange lijn van onderwijs aan doven en slechthorenden ligt (vanaf 1790), maar dat de grote groep dove/slechthorende leerlingen zich daaruit geëmancipeerd, geëvolueerd, hebben. Ondanks dat bepaalde kenmerken van doofheid/slechthorendheid nog steeds heel helder zichtbaar zijn. Binnen de Stichting geven wij ouders continu voorlichting en informatie over typerende ontwikkelingen bij een doof/slechthorend kind. Ouders herkennen dit ook meteen en kunnen aan slag met de gegeven kennis en tips. Die kennis over wat typerend werkt in de ontwikkeling als doof/slechthorend kind is de basis en onveranderd sinds 1790. Het is alleen niet duidelijk beschreven. Sterker nog: vaak worden ontwikkelingskenmerken en gedragingen als problematiserend beschreven, dat doet afbreuk aan gelijkwaardigheidsbeginselen van het VN-verdrag. Er zijn in de 232 jaar dat het dovenonderwijs bestaat vele onderzoeken gedaan naar doof-/slechthorendheid. Vele middelen vanuit de overheid en de zorgverzekeraar zijn hieraan besteed. Onlangs is er nog een uitgebreid fietsonderzoek gedaan. Doven en slechthorenden zouden bijvoorbeeld grote moeite hebben om veilig te fietsen. Toch is de kennis vanuit onderzoeken niet gaan werken als ‘adapterend aan’. Nog steeds worden allerlei nieuwe onderzoeken opgestart vanuit (nog meer) problemen. Wij begrijpen dat dit nodig is voor bepaalde groepen doven/slechthorenden waarover we nog niet zoveel weten zoals doofblindheid, CMB, met syndromen zoals syndroom van Charge. Maar de grote groep dove/slechthorende kinderen is eigenlijk gewoon puur doof/slechthorend met bepaalde kenmerken en gedragingen die nu eenmaal horen bij doof-/slechthorendheid.

Wij willen benadrukken dat er een heel nieuwe situatie ontstaan is. Deze nieuwe situatie is niet te passen in denkbeelden over wat ‘dovenonderwijs’ is, met vooral informatie die meer zou passen in de jaren ’70 of ’80. Met name de laatste 20 jaar maakt de grote groep dove/slechthorende leerlingen mooie vooruitstrevende ontwikkelingen door in het regulier onderwijs. Velen halen de HAVO- en VWO-niveau. Het Gymnasium volgen is niet meer ongewoon. We vinden jonge dove studenten op allerlei HBO-opleidingen en universiteiten door het hele land heen. Alleen kan deze groep leerlingen vaak moeilijk beroep doen op het VN-verdrag en de daaraan gekoppelde rechten omdat de overheid in Nederland deze nog niet gefaciliteerd en/of geborgd heeft. Met andere woorden: deze grote groep leerlingen is al vooruit gaan lopen, maar de “steigers” moeten nog opgebouwd worden. De eerste generaties van deze groep studeren al. Nieuwere generaties zijn op dit moment bezig met hun school en we zien alweer een nieuwe generatie aankomen die instromen in het regulier onderwijs zonder eerst een dovenpeutergroep of zoiets te hebben bezocht. Sommige dove/slechthorende kinderen hebben op 4-jarige leeftijd nog nooit een ander doof kind ontmoet. Zij zijn prima geïntegreerd in de maatschappij en spelen met horende leeftijdgenoten in de eigen buurt of BSO of kinderopvang. Dat is de positieve kant van inclusie. Daarnaast brengen wij deze kinderen en ouders juist bewust ook met elkaar in contact. De Stichting geeft voortdurend aan dat voor een gezonde kindontwikkeling het belangrijk blijft voor zowel leerlingen als ouders als ze breed op de hoogte zijn en ook andere doven/slechthorenden kennen.

Algemeen beeld/ Kenmerkende ervaringen

Het beeld dat wordt geschetst aan hand van kenmerkende ervaringen (3.1., blz. 15 t/m 19) herkennen wij deels wel en deels niet.

Er is een groep van 18 leerlingen bevraagd op een grote populatie van een paar duizend dove/slechthorende leerlingen. Exacte cijfers zijn er niet, want inderdaad is er geen registratie (blz. 8). Volgens jullie als College is een aantal van 18 representatief genoeg. Echter, als stichting zien wij vooral leerlingen die heel bewust de overstap van het speciaal onderwijs naar het regulier maken of al in het reguliere circuit zitten. We ontmoeten veel blije, ontspannen en zelfbewuste dove en slechthorende leerlingen en idem hun ouders. Natuurlijk hebben zij regelmatig zorgen en vragen. De stress die zij hebben komt meer voort uit dat de randvoorwaarden binnen regulier onderwijs wel vaker dan eens niet geregeld zijn of dat scholen/ambulante begeleiders/leerkrachten tegenwerken.

Omdat het cluster2 onderwijs zich door de jaren heen steeds meer heeft ontwikkeld als zorgonderwijs, met steeds meer accent op CMB/TOS/meervoudige beperkingen, voelen vele dove/slechthorende leerlingen zich niet thuis daar. Als ze in de eerste schooljaren al het Cluster2 onderwijs bezoeken, ervaren ze allemaal op een gegeven moment dat ze zitten tussen leerlingen met andere en/of meervoudige behoeften en/of gedragsproblematieken. De verschillen worden dan (veel) te groot. Qua cognitieve uitdaging is er te weinig aanbod, wat resulteert in het wisselen naar regulier onderwijs.

Het is inderdaad zoeken naar een passende school, maar dat komt vooral door het ontbreken aan ervaring/kennis/informatie aan de kant van de reguliere school. De meeste kinderen in ons netwerk wisselen niet meerdere keren van school. Over het algemeen komen zij vanuit het speciaal onderwijs (als zij eerder dovenonderwijs hebben gevolgd) of regulier kinderdagopvang meteen op een goede plek. Wel kost het op deze goede plek soms moeite en/of meerdere gesprekken om de gewenste nodige aanpassingen daadwerkelijk te regelen. Scholen reageren wel vaker wat afstandelijk. Aan de andere kant hebben we ook voorbeelden van scholen die wel adequaat en meedenkend reageren.

Onderwijsdeelname voor dove/sh kinderen is inderdaad vermoeiend, maar dit heeft vooral als oorzaak dat dove/sh kinderen veel informatie missen en/of de informatie op een andere manier verwerken. Het gaat hier niet alleen over enkel het horen maar vooral ook over welke weg de informatieverwerking neurologisch aflegt na het horen zelf (als het horen al mogelijk is). Kennis specifiek hierover is er nagenoeg niet of verdwenen binnen de Cluster2 organisaties. Cluster2 is binnen haar muren vooral gespecialiseerd in TOS, CMB en zorgonderwijs aan dove/slechthorende kinderen, die niet alleen maar doof/slechthorend zijn, maar ook andere behoeften hebben. Daar hebben zij die 50 scholen door heel Nederland voor (waarvan overigens maar een klein deel toegankelijk is voor doof/slechthorend). Dat dit Cluster2 onderwijs bestaat is prima en nodig voor deze “beschermde” groep leerlingen. Maar het is en het blijft een heel andere groep dan dove/slechthorende leerlingen in het regulier onderwijs. Het is zogezegd een heel andere tak van de sport.

Het punt van een beperkte keuzevrijheid is kloppend. Cluster2 instellingen hebben inderdaad wel het intensieve onderwijs maar niet het juiste aanbod voor leerlingen die cognitieve uitdaging graag aangaan. Leerlingen die graag hetzelfde educatieve aanbod willen als wat er standaard wordt geboden in het regulier onderwijs. Cluster2 is hierop ook niet gespecialiseerd. U schrijft dat het onderwijsprogramma van cluster2 speciaal onderwijs lijkt op dat van reguliere scholen (blz. 8) maar dit is onjuist. Op een reguliere school volgen alle kinderen standaard leerlijnen en curriculum zoals bekend voor PO en VO. Bij Cluster2 wordt per leerling (vaak ‘client’genoemd) welke ontwikkeling mogelijk is en maatwerk daarop gemaakt. Hierbij wordt het kunnen horen meegenomen in wat het kind wellicht nog meer kan. Dat is een misvatting. Het kunnen horen met een Cochlaire Implantaat zegt niet alles over cognitieve mogelijkheden. Een hard feit is dat veel doven/slechthorende leerlingen binnen de Cluster2 uiteindelijk het benodigde 2F leesniveau niet halen. Dat alleen al geeft aan dat het onderwijs niet kan lijken op reguliere scholen. Er zijn inderdaad mogelijkheden voor VMBO en HAVO in onder andere Brabant (Kentalis Compas) en Groningen (Kentalis Guyot), maar als u goed kijkt naar concrete leerlingaantallen zijn er maar heel weinig die VMBO-TL of HAVO volgen op deze plekken.

Binnen het regulier onderwijs is het ondersteuningspakket inderdaad heel beperkt. De middelen in de oorspronkelijk eigenlijk heel prettig werkende Rugzak-regeling, zijn met ingang van de overgangsfase naar het Passend Onderwijs (vanaf 2012), steeds meer teruggedrongen. Bij de Rugzak ging de helft naar het reguliere school en de andere helft naar de Cluster 2. De Stichting heeft alle cijfers, tabellen en exacte budgetbedragen uit de Rugzak-tijd. Omdat destijds de middelen voldoende waren, gaf dat ruimte aan leerlingen en ouders in hun keuzevrijheid. De scholen konden middelen inzetten. De Cluster2 kreeg middelen voor het kunnen bieden van Ambulante Begeleiding. Anno 2022 worden de middelen niet meer verdeeld maar gaan ze geheel naar de Cluster2. Dit werkt belemmerend voor leerlingen en ouders die bijvoorbeeld wel toegang tot regulier onderwijs willen, maar zonder inzet van Cluster2 instellingen. Er zijn leerlingen die door bepaalde (traumatische) ervaringen geen Cluster2 betrokken willen zien. Dit dient gerespecteerd te worden. Betrokkenheid van de Cluster2 is wettelijk ook niet verplicht binnen het regulier passend onderwijs. Ongeveer 50-60% van de dove/slechthorende leerlingen zet dan ook geen AB in.

Scholen zijn niet op de hoogte van het feit dat passend onderwijs vooral een realisatie is van leerling, ouders en school als in een driehoek. Deze driehoek kan in gezamenlijk overleg bepalen om eventueel een vierde hoek te maken m.a.w. een externe partij te betrekken. Dit kan een Cluster2 instelling zijn, maar het mag in principe ook een andere partij zijn. Daar sommige leerlingen behoorlijk veel last kunnen hebben van minder goede ervaringen met Cluster2 en/of Ambulante Begeleiding, dringen wij erop aan dat deze ruimte geborgd wordt. Nu is er nog veel onduidelijkheid bij scholen. De Stichting legt geregeld uit dat Cluster2 betrokkenheid geen verplichting, geen wetgeving, is. Een dove/slechthorende leerling moet niet het gevoel hebben dat hij/zij ‘gedwongen’ vast zit aan de Cluster2. Destijds is bepaald dat voor de ‘bescherming van dove en slechthorende leerlingen’ de middelen gaan naar Cluster2 en niet naar de SamenWerkingsVerbanden (SWV’s) zoals bij de andere Clusters. Maar nu lopen we tegen het feit aan dat Cluster2 bepaalt, maar zoals aangegeven in dit schrijven wordt niet altijd de juiste begeleiding geboden. Daarnaast: dove en slechthorende kinderen hebben op dit moment helemaal niets te zeggen over de eigen begeleiding. Dat is strijdig met de artikelen van het VN-verdrag.

Qua de punten alertheid, wens om erbij te horen, discriminatie op grond van gehoorstatus herkennen wij het beeld dat in de rapportage geschetst wordt.

Aanbevelingen aan de overheid

Punt 1: scholen wijzen op hun plicht om leerlingen niet uit te sluiten op de enkele grond van hun beperking. Eens.

Punt 2: vergroot onder leerlingen en hun ouders/verzorgers de kennis van hun recht op onderwijs. Eens.

Punt 3: vergroot bewustzijn van de knelpunten waar dove/slechthorende leerlingen tegenaan lopen. Eens, wel een kanttekening. Kanttekening: wie is de partij die dit bewustzijn kan bevorderen en faciliteren? De Cluster2 is gespecialiseerd in onderwijs op Cluster2scholen zelf. De situatie en de belevingswereld van dove/slechthorende leerlingen in het regulier onderwijs is niet te vergelijken met wat er aan ‘kennis’ is over dove/slechthorende leerlingen in het Cluster2onderwijs zelf. Belangrijk om te weten is dat er vanaf het jaar 2000 steeds meer dove/slechthorende leerlingen voor regulier onderwijs kiezen. De grote groep zit daar. Dat is ook een heel grote verandering voor het klassieke Cluster2 onderwijs die vanaf 1790 bestaat in Nederland. Traditionele, verouderde, kennis hoe doven en slechthorenden te onderwijzen is grotendeels niet inzetbaar in het regulier onderwijs. Het regulier onderwijs is een heel andere wereld voor dove/slechthorende leerlingen. De Ambulante Begeleiders zijn bijna allemaal mensen die zelf eerst 15, 20 of 25 jaar hebben gewerkt in het dovenonderwijs om daarna Ambulante Begeleiding te gaan doen. Zij gaan dus met een niet-passende, “gekleurde”, bril aan het werk met dove/slechthorende leerlingen in het regulier onderwijs.

Punt 4: bied ruimte in wet- en regelgeving voor maatwerk en flexibiliteit. Eens, wel een kanttekening. Kanttekening: er komt te weinig goede kennis bij reguliere scholen terecht. Er zijn talloze voorbeelden waar het mis gaat qua kennis. Zo hoeft de DMT (DrieMinutenToets) niet te worden afgenomen binnen het basisonderwijs. Maar toch doen veel Ambulante Begeleiders en scholen dit. Ondanks dat het scheve resultaten geeft en het daarom niet hoeft. Een ander voorbeeld is dat de zinsbouw bij dove/slechthorende leerlingen een andere ontwikkeling heeft, maar dat een antwoord vooral op de inhoud beoordeeld moet worden. Toch worden leerlingen afgerekend op zinsbouwfouten (iets wat geoefend kan worden bij het vak Nederlands; het kan dus opgepakt). In het Voortgezet Onderwijs is flexibel omgaan met Engels een terugkerend vraagstuk, terwijl dit simpel opgelost kan worden. Er zijn veel vragen rondom hoe het begrijpend lezen te aanpakken. Ook luistertoetsen wel/niet afnemen is een voortdurend terugkerende vraag. Gemiddeld krijgt de Stichting 12 vragen per week over deze dingen. Antwoorden en oplossingen worden aangedragen. Alleen: niet elke school adapteert deze oplossingen omdat ze het niet goed kunnen terugvinden op bijvoorbeeld de website van SIMEA of dat de AB’er zegt dat hij/zij “eerst even overleg moet plegen met collega’s”. Dat belemmert het onderwijs passend en inclusief maken voor dove/slechthorende leerlingen.

Punt 5: zorg voor zoveel mogelijk integratie van speciaal en regulier onderwijs. Grotendeels niet eens. Reguliere scholen krijgen niet altijd de juiste kennis aangereikt vanuit het speciaal onderwijs (voor toelichting: lees de kanttekeningen bij punt 3 en 4). Daarnaast is er een groeiend groep leerlingen en ouders die geen gebruik willen maken van Cluster2. In het rapport wordt al genoemd dat helft van de leerlingen in het regulier onderwijs geen Ambulante Begeleiding gebruikt (pagina 8). De redenen zijn vooral gelinkt aan onprettige ervaringen vanuit het verleden. Leerlingen en hun ouders moeten keuzevrijheid hebben in het wel/niet betrekken van de Cluster2 in de driehoek leerling-ouders-school. Het moet geen dwang worden dat de Cluster2 wordt betrokken. Sterker nog: het moet mogelijk zijn dat leerlingen en ouders zelf kunnen aangeven welke partij zij willen betrekken in hun driehoek.

De Stichting wil op dit punt twee aanbevelingen doen. De eerste aanbeveling is dat een andere regeling qua middelen komt voor dove/slechthorende leerlingen. Dit zodat niet alle beschikbare middelen in “de grote pot” van zowel Zorg als Onderwijs van de Cluster2 verdwijnt. In de huidige Cluster2 regeling zijn de middelen niet geoormerkt per leerling. Er wordt gezegd: “wij kunnen geen vaste bedragen noemen per leerling want we willen flexibel tegemoet komen aan de behoeften van elke leerling”. Echter: als de vraag om flexibiliteit er ligt, komt Cluster2 in verschillende situaties niet over de brug om de situatie flexibel te faciliteren omdat er ‘geen middelen meer beschikbaar zijn’ of omdat ‘van bovenaf is bepaald dat er beperkte budgettering is’. Dat beperkt dove/slechthorende leerlingen fors in hun rechten, ruimte en positie. Centraal in het hele verhaal moeten altijd de dove/slechthorende leerlingen en hun ouders zelf zijn. Er zijn per leerling helemaal niet zoveel middelen nodig en het kan prima en flexibel beheerd, maar dat moet dan wel transparant gebeuren. Dat gebeurt nu niet. De tweede aanbeveling is dat de overheid, in haar werken aan een routekaart naar inclusief onderwijs, ervoor zorgt dat keuzevrijheid geborgd is voor dove/slechthorende leerlingen en hun ouders als het gaat om de vraag wie er wordt betrokken als externe partij. Het belangrijkste is dat deze externe partij qua expertise moet kunnen voldoen aan de hulpvraag die wordt gesteld vanuit dove/slechthorende leerling zelf (en zijn/haar ouders).

Vergroot het aantal leerkrachten dat ervaring heeft met Nederlandse Gebarentaal. Niet eens als het gaat om regulier onderwijs. De Stichting is zeer ervaren in hoe de praktijk uitwerkt in het regulier onderwijs. Leerkrachten opleiden die gebarentaal kunnen is de facto een zinloze en bovendien zeer kostbare investering als er eens in de zoveel tijd een dove leerling op een school terecht komt (gemiddeld 1 ervaring met een dove/slechthorende leerling per school per 10 jaar). Zeker nu er een lerarentekort is. Er is al heel veel werkdruk op de huidige leraren. Daarnaast: niet elke dove/slechthorende leerling staat te juichen bij gebarende docenten. Voor de leerlingen die wel staan te juichen: prima. Alleen: dan zou er elk jaar opnieuw een docententeam getraind moeten worden, zeer zeker in het VO. Dat is arbeids- en investeringsintensief. Het lijkt de Stichting daarom beter dat er structureel en duurzaam geïnvesteerd wordt in het opleiden van hoogkwalitatieve tolken gebarentaal & schrijftolken. Het liefst met specialisatie in onderwijs. Deze tolken kunnen lang mee en overal door het land ingezet (ze zijn niet schoolgebonden). Nu met het opkomende tolktekort zijn er veel zorgen onder leerlingen en hun ouders dat hun recht op toegang tot onderwijs belemmerd gaat worden. Dat ze naar specifieke reguliere scholen moeten, die niet hun keuze zijn en waarvoor ze wellicht dan weer (heel)ver moeten reizen, enkel en alleen omdat daar meerdere dove kinderen in een klas zit en waar wel een tolk klaarstaat.

Eens als het gaat om het speciaal onderwijs/Cluster2-scholen. De Stichting verneemt herhaaldelijk ervaringen van leerlingen en ouders dat Cluster2 leerkrachten en idem Ambulante Begeleiders (ondanks 15, 20 of 25 jaar werken in het dovenonderwijs) onvoldoende gebarentaalvaardig zijn en/of niet in staat zijn om te komen tot rechtstreekse rijke gebarentaalcommunicatie. De zorgleerlingen binnen de Cluster2 scholen kampen vaak met meerdere problematieken. Juist zij hebben recht op soepel en vloeiend kunnen communiceren in hun eigen taal, Nederlandse Gebarentaal (NGT), zodat zij niet voortdurend gefrustreerd raken omdat zij zich niet kunnen uiten en/of begrepen worden. Het lijkt de Stichting een heel goed idee als de Cluster2 instellingen met hun Deelkracht-samenwerking zich hierop gaan richten. Het is belangrijk dat het gevoel van ongelijkwaardigheid, het zich niet kunnen uiten en/of zich niet kunnen ontwikkelen, teruggedrongen wordt binnen de Cluster2. Voorheen was er de specialisatie Auditieve Beperking op bepaalde lerarenopleidingen. Het zou heel positief zijn als er tenminste op 1 plek deze specialisatie terugkeert. Plus: dat dove/slechthorende mensen gefaciliteerd worden om deze lerarenopleiding met aansluitend genoemde specialisatie te volgen.

Aanbevelingen aan onderwijsinstellingen

Punt 1: overleg samen met de leerling en ouders/verzorgers over de behoeften bij plaatsing op een school. Eens. Kanttekening: de driehoek school-ouders-leerling moet dit primair samen bepalen. Zonder externe partijen. Die pas betrekken zodra het blijkt dat er hulpvragen liggen voortkomend uit de geformuleerde behoeften.

Punt 2: Bied gedurende het onderwijs steeds maatwerk in overleg met de leerling en ouders/verzorgers. Eens. Gebruik het OP (OntwikkelingsPerspectief) Dat gebeurt nu niet goed en/of veel te weinig.

Punt 3: werk toe naar zoveel mogelijk integratie van het speciaal en regulier onderwijs. Niet eens. Eerst moet in de driehoek die school- leerling- ouders tezamen vormen, besproken worden welke onderwijsbehoeften er liggen. De hulpvragen moeten geformuleerd worden. Daarna pas kan er gekeken worden of de Cluster2 betrokken kan worden. Of dat er toch onvoldoende aanbod is om adequaat aan de hulpvraag te kunnen voldoen. In dat laatste geval moet het betrekken van een andere externe partij, die wel kan voldoen aan de hulpvraag, mogelijk zijn. Voorop staat wat de leerling nodig heeft.

Punt 4: Zorg dat de ambulant begeleiders de juiste expertise hebben. Eens. Cluster2 instellingen bestaan al heel lang, vanaf 1790. Ze zijn niet meegegroeid met kennis als het gaat om de huidige nieuwe situatie. Sterker nog: kennis is al verdwenen. Of is in handen van een steeds kleiner groep experts. Deels komt dat ook doordat Cluster2 zich de laatste 15 jaar is gaan richten op TOS-leerlingen en misschien hadden gehoopt daarmee ook de DSH-groep te kunnen bedienen. Cluster2 is gedurende deze periode een “breed” begrip geworden. Het gaat niet meer over doof of slechthorend als kerngroep. Het is vooral TOS. Met daarbij (!) doof en slechthorend. Verder: door de komst van de Cochleaire Implantaat zien we dat het woord “doof” ingeruild wordt voor “slechthorend”. Het lijkt alsof dove leerlingen niet meer bestaan. Maar sinds 2014 (Passend Onderwijs invoering) is al duidelijk dat typische dove/slechthorende ontwikkeling zeker sociaal-emotioneel helemaal niet veranderd zijn door inzet van Cochleaire Implantaat. Met andere woorden; het meer kunnen horen heeft niet geleid voor meer sociaal-emotioneel makkelijk kunnen meebewegen. Alles is gereduceerd tot: auditief en communicatief beperkt. Dat heeft, in de ogen van de Stichting, geleid tot veel nadelen. Veel typerende dove ontwikkeling wordt niet meer herkend door Ambulante Begeleiders en andere professionals terwijl dove/slechthorende leerlingen (al dan niet met een Cochleaire Implantaat) wel deze ontwikkeling doormaken. Daarnaast: binnen het Cluster2 onderwijs zitten dove/slechthorende leerlingen tussen steeds meer TOS leerlingen. Geen goede ontwikkeling want doof/slechthorend is een heel ander gebied dan TOS. Met een heel ander aanpak.

10 tips voor leerkrachten

Op zich zijn het prima tips. Alleen: ze zijn eenzijdig. Ze zijn eigenlijk volledig gericht op kinderen die kunnen “horen” en praten. Dat betreft maar een deel van de totale populatie dove/slechthorende leerlingen. We missen tips over bijvoorbeeld: tolken, andere zinsbouwontwikkeling, bewust zijn dat voor dove/slechthorende leerlingen het Nederlands een tweede taal is, dat het maakwerk niet op zinsfouten maar op inhoud beoordeeld dient te worden, dat veel dove/slechthorende leerlingen het spannend vinden om te samenwerken in groepjes en hoe daarin te ondersteunen enzovoorts.

Eigen aanbevelingen aan de overheid

Er zijn eigenlijk weinig middelen nodig om de reguliere school te ontlasten. Maak verstandige keuzes die passen bij de tijdgeest. Het is zeker leuk om te willen dat alle docenten en leerlingen op een school gebarentaal kunnen zodat 1 dove/slechthorende leerling zich meer thuis voelt. Alleen: dat kost handen vol met middelen. Zeker als dat gedaan moet worden voor elke school waar er maar 1 doof/slechthorend kind zit. Er kan beter eerst geïnvesteerd worden in de leerling zelf. Of de school zelf een keuzevak NGT (zoals bij het Friese Taal) wil opstarten en wil investeren daarin, is een andere keuze. Eventueel kan er een budget gemaakt worden waarop enkele scholen aanvraag kunnen doen voor het inderdaad verzorgen van een keuzevak NGT. Maar nogmaals: prioriteit moet liggen bij het primair investeren in wat een leerling zelf nodig heeft aan eigen (inhoudelijke) onderwijsbehoeften en de daaraan gekoppelde begeleiding.

Investeer in het goed vastleggen en borgen van de OP (Ontwikkelingsperspectief). Het schrijven van de OP is een taak van de school met de leerling/ouders samen. Alle onderwijsbehoeften en hulpvragen worden hierin vastgelegd plus ook hoe de organisatie is geregeld. De OP kan een heel schoolcarrière mee. Het kan van jaar tot jaar worden doorgeschoven. Iedereen kan lezen wat er al gedaan is en wat er nog gedaan moet worden. Hoe de evaluaties zijn. Wat de opbrengsten zijn. Het opbouwen van een OP zorgt voor borging en kennisopbouw. Dat helpt scholen enorm in het opbouwen en verrijken van de eigen kennis met betrekking tot doof-/slechthorendheid specifiek. Al krijgt een school 10 jaar lang geen nieuwe dove/slechthorende leerling, dan nog steeds ligt er een dossier (en dus kennis) die meteen teruggepakt kan worden bij het melden van een nieuwe dove/slechthorende leerling. Het is concreet, tastbaar, op te zoeken kennis voor scholen. Nu leggen scholen nog te weinig goed vast, waardoor het e.e.a. niet geborgd wordt.

Behoud keuzevrijheid op basis van autonomie. Een dove/slechthorende leerling met zijn/haar ouders moet zelf kunnen blijven bepalen naar welke school hij/zij wil gaan, wat zijn/haar onderwijsbehoeften zijn, welke hulpvragen er liggen en welke begeleiding nodig is voor een goede ontwikkeling op school. Het is belangrijk dat elk dove/slechthorende leerling leert om autonoom te handelen. Het VN-verdrag benadrukt het autonome handelen van de leerling met beperking.

Investeer duurzaam in tolkvoorziening. Op dit moment is er een opkomend tekort aan tolken Nederlandse Gebarentaal (NGT). Dit heeft enorm impact op leerlingen die toegang tot regulier onderwijs willen. Sommige leerlingen hebben niet voor elke dag een tolk. Sommigen moeten hun opleiding uitstellen. Het is duurzaam om structureel te investeren in meer tolken die zich bovendien specialiseren in het onderwijstolken. Zij kunnen een hele lange tijd werken in het onderwijs en op deze manier het toegang tot het onderwijs “openhouden”. Investeren in mediumsettings omdat dat wellicht “handig” zou zijn vanwege genoemde tolkentekort zou een te kort door bocht genomen oplossing zijn. Om een vergelijking te maken met toegankelijkheid voor leerlingen die in een rolstoel zitten: als een schoolgebouw niet toegankelijk is voor een leerling ga je de leerling niet met nog andere rolstoelleerlingen op een school zetten waar de drempels wel verwijderd kunnen worden en waar er wel een lift is. Nee; alle scholen waartoe rolstoelleerlingen toegang willen krijgen, moeten hun drempels weghalen en zorgen voor een lift of iets dergelijks om te verplaatsen. Dit geldt ook voor dove/slechthorende leerlingen. Veel van hen willen helemaal niet naar mediumsettings of onderwijs volgen in groepen met co-enrollment/co-teaching. Ze willen graag naar een school vlakbij huis maar wel in de vrije tijd genoeg mogelijkheden om elkaar te ontmoeten.

Steun initiatieven die dove/slechthorende leerlingen sociaal-emotioneel versterken. Sociaal-emotionele ontwikkeling versterken kun je niet doen 1 op 1 met een Ambulante Begeleider. De Stichting faciliteert bijvoorbeeld huiswerkgroepen in het weekend. Er draaien momenteel 4 groepen in Nederland waar dove/slechthorende leerlingen in het VO elkaar kunnen ontmoeten. Bijeenkomsten van deze groepen zijn met permissie juist doorgegaan in tijden van Corona. Dat was hard nodig en heeft een heel positief impact gegeven. Ook zijn er samenwerkende initiatieven zodat dove/slechthorende leerlingen bij elkaar kunnen komen op de vrijdagen. Er zijn meer dan genoeg ideeën, al dan niet reeds in praktijk gebracht zoals hierboven genoemd, om dove/slechthorende leerlingen naast het volgen van het regulier onderwijs ook ontwikkeling te kunnen bieden in het eigen doof- of slechthorend zijn.

De doelgroep lijkt heel divers. Maar zoek het vooral in de overlap! Natuurlijk heeft elk doof/slechthorend kind het recht om zelf de leerbehoeften en hulpvragen te formuleren. Natuurlijk ontwikkelt elk kind zich op een eigen manier. Toch zijn er bepaalde overlapgebieden te zien tussen alle dove/slechthorende kinderen. Op deze gebieden kan er veel winst bereikt worden.

Verruim niet het ondersteuningsarrangement voor ambulante begeleiding op een reguliere school, zodra er meer tijd beschikbaar is voor ondersteuning van de leerling en de school.

Dat zou betekenen: nog meer middelen in de grote pot van de Cluster2 zonder oormerk, zonder transparantie voor ouders en leerlingen. Er gaan al tientallen miljoenen naar Cluster2-instellingen terwijl 50%-60% van de dove en slechthorende leerlingen in het regulier onderwijs geen Cluster2 ondersteuning betrekt. De leerlingen die dat wel doen krijgen 1 keer per week of 1x per 2 weken voor slechts enkele jaren begeleiding (doel is immers: afbouwen van begeleiding zodra het kan). Van alle dove en slechthorende leerlingen zit maximaal 30% tot 10% in het specialistische Cluster2-onderwijs. Immers: we hebben geen harde, exacte cijfers. Feit is wel: een grote groep dove/slechthorende leerlingen kan niet bij de middelen die voor hen bedoeld zijn. Dit zou ook betekenen: belemmeren van keuzevrijheid, autonomie en rechten tot toegang op onderwijs. Dat vinden wij geen goede zaak in het licht van het VN-verdrag.

In plaats daarvan: verander wel het ondersteuningsarrangement zodat er daadwerkelijk keuzevrijheid komt. Ga terug naar bijvoorbeeld een vorm van de Rugzak maar dat de middelen dan bij de scholen komen te liggen. Die hebben rechtstreeks te maken met dove/slechthorende leerlingen. Zij hebben geen 232 jaar lange achtergrond met idem belangenverstrengeling. Het is juist dat zij belangeloos heel graag die toegang wel willen realiseren! Het is geen goed idee dat de middelen bij Cluster2 komen want daar ligt niet de juiste benodigde kennis en zij belemmeren in veel gevallen. Ook is het geen goed idee dat de middelen bij grote, onwetende, logge SamenWerkingsVerbanden (SWV’s) komen te liggen. Inhoudelijk, deskundig, maar ook bestuurlijk en administratief kunnen zij dit niet borgen. Voor het onderbrengen van middelen rechtstreeks bij scholen is slechts een onafhankelijk toezichthouder nodig die voorop heeft staan enkel en alleen de dove/slechthorende leerling. Het zou dan 1 centraal punt worden, waar scholen kunnen aankloppen voor een bepaald bedrag. Dit is transparant en brengt de geldstroom helder in kaart. Ook is het gemakkelijk te evalueren a) hoeveel uiteindelijk aangevraagd wordt, b) welke soort begeleiding ervan betrokken wordt en c) in hoeveel gevallen er behoefte is aan Cluster2 betrekken. De overheid kan dan transparant zien in hoeverre zij op deze manier voldoet aan de plichten vanuit het VN-verdrag en dit ook terugkoppelen.

Dove/slechthorende leerlingen en hun ouders moeten hoe dan ook middelen kunnen aanspreken om de eigen ondersteuning te faciliteren dan wel te borgen. Ongeacht of zij wel of geen Ambulante Begeleiding vanuit Cluster2 willen betrekken. Dove/slechthorende leerlingen hebben het recht om hun eigen rechten autonoom te kunnen handelen.


adminfodesk

Author adminfodesk

More posts by adminfodesk